Vruchtwisseling

Plan ook op lange termijn (meerdere jaren). Zorg voor een vruchtafwisselingsplan waarin koolgewassen, bladgroenten, vruchtgroenten, wortelgroenten, aardappelen en peulgewassen roteren.

 

Wat is vruchtwisseling ?

 

Vruchtwisseling betekent teelten jaarlijks afwisselen op een bepaalde plaats, zodat het verschillende jaren duurt eer een groente op dezelfde plaats terugkomt.
Stel hiervoor een schema op. Een voorbeeld van zo’n vruchtwisselingsschema is een moestuin die ingedeelde wordt in zes percelen en die jaarlijks verschuiven.

 

Een voorbeeldje met 6 vakken:

 

Jaar 1

Vak 1: Kool (ook rucola en radijs)

Vak 2: Bladgroente

Vak 3: Vruchtgroenten (courgette, pompoen etc.)

Vak 4: Wortelgroenten (bietjes, wortelen etc.)

Vak 5: Aardappelen

Vak 6: Peulgroente

 

Het volgende jaar schuiven ze allemaal een plaatsje op:

Jaar 2

Vak 1: Peulgroente

Vak 2: Kool (ook rucola en radijs)

Vak 3: Bladgroente

Vak 4: Vruchtgroenten (courgette, pompoen etc.)

Vak 5: Wortelgroenten (bietjes, wortels etc.)

Vak 6: Aardappelen

 

 

Waarom vruchtwisseling ?

 

1. Gewasbescherming

 

Vruchtwisseling wordt toegepast als gewasbeschermende maatregel. Door verkeerde opvolgingen van groenten te weren, vermijd je problemen met bodemgebonden ziekten en andere aantastingen. Wanneer je elk jaar dezelfde groente op dezelfde plaats teelt, kunnen ziekten en plagen zich beter ontwikkelen en worden de groenten meer aangetast. Verschillende teelten trekken verschillende belagers aan. Als je teelten elk jaar afwisselt, krijgen de belagers in de bodem vaak oninteressante groenten voorgeschoteld. Hierdoor wordt hun ontwikkeling sterk geremd. Ziekten voorkomen kan dus door te vermijden dat groenten van dezelfde familie elkaar opvolgen. Een wachttijd van 6 jaar is het absolute minimum om te kunnen profiteren van het gewasbeschermend effect van vruchtwisseling.

 

2. Bemesting

 

Gewassen hebben niet allemaal evenveel voedingselementen nodig voor hun groei. Door bij de vruchtwisseling gewassen met dezelfde behoefte bij elkaar te zetten, kan je ze in groep een aangepaste bemesting geven.

 

3. Onkruidbestrijding

 

Sommige gewassen onderdrukken het onkruid goed. Denk maar aan aardappelen, pompoen, witloof en sommige groentebemesters. Andere groenten zoals kolen, geven je, gezien hun ruime plantafstand., de mogelijkheid veel en gemakkelijk te hakken. Hierdoor zal ook deze teelt een schone grond achterlaten. Andere groenten worden gemakkelijk door onkruid overwoekerd, zoals erwten, wortelen, ui, sjalot en aardbei. Het is dus niet aan te raden deze gewassen na elkaar te zetten. Dankzij vruchtafwisseling worden gewassen die slecht het onkruid onderdrukken, afgewisseld met gewassen die de grond proper achterlaten. Hierdoor heb je het onkruid beter onder controle.

 

4. Bodemstructuur

 

De structuur van de grond is uitermate belangrijk voor de groei van de groenten. De groenten hebben echter zelf ook een invloed op de bodemstructuur. Zo zijn er diepwortelende gewassen zoals schorseneren en luzerne die de grond diep losmaken en verluchten. Bladrijke gewassen, zoals aardappelen, beschermen de grond dan weer tegen het dichtslaan door de regen. Omgekeerd hebben ondiep wortelende, bladarme groenten zoals uien een ongunstig effect op de bodemstructuur. Naarmate de gewassen meer organische stof in de grond achterlaten, werken ze ook mee aan de opbouw van de bodemvruchtbaarheid (bodemleven en humusgehalte). Groenbemesters spannen op dit vlak de kroon. Dankzij vruchtwisseling wisselen de groenten die de bodemstructuur verbeteren en die ze verslechteren elkaar af en zo houden ze de bodem in evenwicht. Om diezelfde reden is het nuttig af en toe ook een groenbemestingsgewas in te lassen. Enkele voorbeelden van groenten die een goede structuur achterlaten zijn: aardappel, schorseneer, witloof, kolen. Groenten die een slechte structuur achterlaten zijn: ui, sjalot, erwt. 

Printvriendelijke afdruk

Zoeken

Bookmark and Share

Onze winkels

POSTCODE / GEMEENTE